U bent hier

Pilootproject parochiekerkenplan Westhoek - 2012 tot 2014

Zoals Minister Bourgeois aangeeft in zijn conceptnota “Een toekomst van de Vlaamse parochiekerk” ontbreekt vaak een strategisch beleid dat voor het geheel van de parochiekerken in een stad of gemeente een toekomstvisie ontwikkelt, laat staan in een bredere regio. Om te komen tot een dergelijke strategische visie gaf Minister Bourgeois in 2013 de opdracht tot de pilootprojecten, in de Westhoek en in Gent.

Het project in de Westhoek werd opgezet voor 18 gemeenten. De basis voor dit project werd al eind 2011 gelegd maar het ging midden 2012 op volle kracht. Initiatiefnemer was WVI (West-Vlaamse Intercommunale) en meer bepaald het overleg van de burgemeesters van de Westhoek (het Westhoekoverleg) binnen deze intercommunale. Het ontwikkelen van een toekomstvisie voor de parochiekerken was immers voor deze 18 gemeenten niet zo evident. Samen hebben ze 113 kerken op hun grondgebied, waarvan een derde zich bevindt in dorpen met minder dan 700 inwoners. De kerken in deze woonkernen zijn dan ook beeldbepalend voor het landschap van de Westhoek. Heel wat kerken dateren uit de wederopbouwperiode na de Eerste Wereldoorlog, wat hen architecturaal en historisch soms interessant maakt. Neven- of herbestemmingen vinden voor sommige van deze kerken is niet evident, omwille van hun geschiedenis, plaats, de kleine schaal van de gemeenten. De betrokkenheid van de lokale gemeenschappen op hun plaatselijk kerkgebouw, maakt dat deze problematiek - net zoals trouwens overal in Vlaanderen - gevoelig ligt. Het vinden van een evenwicht tussen bezorgdheden, mogelijkheden en verantwoordelijkheden van zowel de lokale besturen als de kerkfabrieken, parochies en het bisdom Brugge, stond daarom hoog op de agenda van dit project.

Omwille van de gelijklopendheid van de uitdaging voor de 18 Westhoekgemeenten en om mogelijke keuzes en scenario’s ook in een groter verband van een samenhangend plattelandsgebied te kunnen afwegen, besliste het Westhoekoverleg om deze uitdaging gezamenlijk aan te pakken. Het einddoel van het project was het uitwerken van een parochiekerkenplan voor elk van de gemeenten, dat de goedkeuring van alle betrokken partijen (gemeenten, kerkfabrieken en bisdom) kon wegdragen en dat een voorbeeld kan zijn voor andere steden en gemeenten. Dat parochiekerkenplan moest leiden tot een ontwerp van besluit dat door elk van de gemeenteraden zou worden goedgekeurd.

Het project werd opgedeeld in 4 fasen.

Fase 1 bestond uit de inventarisatie per individueel kerkgebouw. Hiervoor werd gebruik gemaakt van de bevraging van de parochiekerken die het CRKC in het voorjaar van 2012 lanceerde. De kerkfabrieken van de Westhoek werden voor het invullen ervan, indien gewenst, bijgestaan door stedenbouwkundige ambtenaren van hun gemeente.

In fase 2 werd een inventarisatie per gemeente opgesteld. Parallel met de bevraging van de individuele kerkgebouwen, verzamelde WVI bijkomende gegevens omtrent de kenmerken van het gebouw, de plaats ervan in de lokale gemeenschap, het actueel gebruik enz. Gelijktijdig werd gepeild naar behoeften aan gemeentelijke accommodaties en naar beleidsintenties op dit terrein. Dit gebeurde ook op het vlak van gemeenteoverschrijdende behoeften.

Tijdens de derde fase werd een traject per gemeente ontwikkeld. Daarin werden vertegenwoordigers van de gemeente en van de lokale kerkelijke overheden samengebracht om van gedachten te wisselen over de toekomst van de parochiekerken en ideeën af te toetsen rond multifunctioneel gebruik, neven- en herbestemming van de parochiekerken. Het gesprek werd begeleid door een onafhankelijke gespreksleider, aangesteld en opgeleid door WVI. De gespreksgroepen kwamen één tot drie keer samen. Nagenoeg alle gemeenten (14 van de 18) maakten gebruik van dit aanbod. De gesprekken startten vanaf mei 2013.

De vierde en laatste fase bestond in het opstellen van een beleidsdocument per gemeente, dat door alle betrokken partijen gedragen werd. Deze beleidsdocumenten moeten de basis vormen van de meerjarenplannen van de kerkfabrieken, maar ook van het langetermijnbeleid van de gemeenten inzake financiën, patrimonium, functies van kerken enz. Hiervoor werd voor elk van de betrokken gemeenten een voorstel van gemeenteraadsbesluit opgesteld. In december 2013 werd deze fase afgerond. Nagenoeg alle besluiten zullen einde februari 2014 goedgekeurd zijn.

 

Welke lessen kunnen uit dit pilootproject getrokken worden voor andere landelijke regio’s? WVI formuleerde negen aanbevelingen die resulteren uit het pilootproject.

1. Ken je kerkgebouwen:

Maak een uitgebreide inventaris op van relevante gegevens per kerkgebouw en actualiseer dit geregeld. Bij veel gemeenten in de Westhoek was er beperkte kennis aanwezig van het kerkelijk gebouwenpatrimonium. Dank zij het pilootproject kregen de gemeenten voor het eerst een duidelijk en objectief beeld van de kerkgebouwen op hun grondgebied en de potentiële gebruikswaarde voor niet-liturgische activiteiten in de toekomst. Het verdient dan ook aanbeveling om deze inventaris regelmatig bij te werken.

2. Vergelijk de gegevens van de kerkgebouwen in uw gemeente onderling:

Deze vergelijking leverde in de Westhoek heel wat relevante gegevens op. Zo kwam men verschillen in exploitatiekosten op het spoor, waarvoor een verklaring werd gezocht. Maar de inzetbaarheid van gebouwen voor andere doeleinden dan de eredienst kreeg een andere dimensie door ze samen te bekijken. Interessante parameters om te bekijken zijn de ligging van de kerken ten opzichte van elkaar, de financiële gegevens van exploitatie, de geschiktheid van de gebouwen voor andere functies.

3. Maak een overzicht van gemeentelijk patrimonium en (semi) gemeentelijke functies en diensten en relateer dit met het toekomstig gebruik van kerkgebouwen:

In veel gemeenten gebeurde dit al voor het eigen patrimonium. Door ook de kerkgebouwen in dit overzicht op te nemen, konden nieuwe globale afwegingen gemaakt worden.

4. Bundel, verdiep en ontsluit te kennis:

In de meeste gemeente was het initieel niet duidelijk wie binnen de gemeente politiek en ambtelijk dit pilootproject zou opvolgen. Gaandeweg heeft elke gemeente hierin zijn weg gevonden en gezorgd voor één politiek en ambtelijk aanspreekpunt. Aanvullende expertise kan vervolgens vanuit verschillende diensten geleverd worden.

5. Neem de erfgoedwaarde mee bij het begin van het proces:

Erfgoedwaarden van interieur en gebouwen bepalen sterk de mogelijkheden voor toekomstig gebruik van de parochiekerken. Daarom is goed en tijdig overleg met het Agentschap Onroerend Erfgoed erg belangrijk.

6. Een helder afsprakenkader voor huidig en toekomstig niet-religieus cultureel gebruik: een belangrijke stap in een lange termijn traject:

Het maken van een goed kader van financiële en juridische afspraken is belangrijk. Maar ook goede afspraken over welke soort activiteiten men graag verwelkomt in de kerk zijn essentieel.

7. Communiceer heel doordacht:

De pers mikt vaak op controversiële onderwerpen, ook in dit thema. Vaak worden voor- en tegenstanders lijnrecht tegenover elkaar geplaatst, waardoor de toekomst gehypothekeerd wordt. Maak daarom met het CKB goede afspraken over communicatie en over gezamenlijk communiceren.

8. Werk aan een permanent en gestructureerd lokaal overleg ‘visiegroep toekomst kerkgebouwen’:

Bij aanvang van het pilootproject was de kennis van de reeds bestaande rijke verscheidenheid aan mogelijkheden om de kerkgebouwen een zinvolle gedeeltelijke of volledige nieuwe betekenis te geven, voor de lokale gemeenschap onbekend. Een lokaal overleg kan deze kennis permanent op peil houden en nieuwe inzichten laten groeien.

9. Kies voor ‘respect’ als leitmotiv:

Respect op verschillende terreinen: voor de geschiedenis, betekenis en jarenlange functie van het gebouw, voor de inzet van vele vrijwilligers die hun kerk koesteren, maar ook voor de verantwoordelijkheden en uitdagingen waar de gemeenten voor komen te staan bij het vinden van een goede oplossing.

Het pilootproject heeft alvast de meerwaarde aangetoond van het gezamenlijk werken met gemeenten van eenzelfde regio. Daarin speelt de bereidheid om samen te denken en te overleggen met alle betrokken partners een grote rol. Dit overleg is een leerproces, dat ook moet begeleid worden en liefst door een niet rechtstreeks betrokken instantie die het vertrouwen van de partners geniet. Dit pilootproject heeft ongetwijfeld bijgedragen tot een sensibilisering van alle partijen en tot een beter inzicht in de problematiek, zoals hoger al gezegd, in respect voor elkaar. Tenslotte wordt het gestelde doel bereikt, namelijk het formuleren van gedragen parochiekerkenplannen per gemeenten.

De bijlage in de linkerkolom is een voorbeeld van een parochiekerkenplan van een gemeente uit de Westhoek. Hierin staat een uitgebreide toelichting over het project met o.a. de aanbevelingen en een gemeenteraadsbesluit.

Deze tekst is gebaseerd op het eindrapport van het Pilootproject dat door WVI werd uitgeschreven.

Jan Jaspers

(Foto: Sint-Audomarus Alveringem, bron: kerkbestuur Sint-Audomarus Alveringem)