U bent hier

Tips voor klimaat- en lichtbeheersing

Klimaat

Een kerk is geen museum en de waarden die gelden in musea in verband met temperatuur, relatieve vochtigheid, licht en dergelijke zijn onmogelijk toe te passen in een kerk. Toch spelen deze omgevingsfactoren een niet te onderschatten invloed op kunst- en andere voorwerpen. Grote wisselingen in temperatuur en vooral van relatieve vochtigheid zijn zeer nadelig voor de verschillende interieurelementen.

De kerkverwarming speelt hierbij een grote rol. Vaak worden kerken verwarmd door het inblazen van warme lucht. Bij hoge temperaturen en grote uitblaassnelheden wordt de lucht meestal niet homogeen verwarmd. Bij 18 °C (thermostaat) kunnen er bovenaan in de kerk temperaturen optreden tot boven de 30°C. Dit kan enkel nagegaan worden met metingen op verschillende hoogten. Wanneer de temperatuur hoog oploopt, zakt de relatieve vochtigheid dramatisch. Dit leidt meestal tot onherstelbare schade bij de verschillende interieurelementen (bvb. barsten in hout, afschilferende verflagen enz.). Luchtinblaassystemen kunnen tot tocht leiden door hoge turbulenties en luchtsnelheden. Dit geeft een oncomfortabel gevoel, ook bij voldoende hoge temperaturen.

Om exacte aanbevelingen te kunnen geven, moet eerst gedurende een lange periode de lokale situatie (op verschillende plaatsen en hoogten in de kerk) in kaart worden gebracht. Daarna kan beslist worden of aanpassingen noodzakelijk zijn. Hiervoor moet een specialist ter zake worden aangesteld.

Enkele opmerkingen en aanbevelingen:

  • De relatieve vochtigheid neemt af bij een hogere temperatuur (of verwarming). De relatieve vochtigheid bedraagt best niet minder dan 45% om onder meer scheurvorming in het hout te vermijden. Bij waarden hoger dan 75% neemt de kans op schimmelvorming erg toe. Aangezien ook de schommelingen voor veel schade zorgen, mag per dag de relatieve vochtigheid maximum 10% verschillen. Schommelingen over een langere periode zijn minder schadelijk en mogen dus groter zijn. De kerk in de winter verluchten is vaak minder schadelijk dan in de zomer, aangezien de buitenlucht in de winter minder vocht bevat. 
  • Het is aan te raden de verwarming zo in te stellen dat het ganse jaar door een basistemperatuur gewaarborgd is tussen 5 en 10°C. Bij vieringen kan de temperatuur langzaam (maximum 2°C per uur) verhoogd worden tot 16°C. Bij een basistemperatuur vermindert de kans op condens en vermindert de koude straling van de muren en zuilen (= de oppervlaktetemperaturen verhogen), wat het comfort voor de mensen doet toenemen.
  • Voorzetbeglazing kan door een vermindering van de koudeval en een verhoging van de oppervlaktetemperatuur het comfort doen toenemen.
  • Laat de roosters en kanalen van de warme luchtinstallaties regelmatig reinigen. Zorg ook voor filters om zo veel mogelijk stof en vuil tegen te houden en laat ze regelmatig vervangen. 

Licht

Om voorwerpen te kunnen bekijken, hebben we licht nodig. Licht bestaat uit stralingsenergie, waaronder Ultra Violet-straling, zichtbaar licht en Infra Rood-straling. Voor waarneming hebben we enkel zichtbaar licht nodig en geen IR- en UV-straling. Deze laatsten veroorzaken echter veel schade.

IR-straling zorgt voor warmteontwikkeling. Chemische afbraakprocessen worden hierdoor versneld en bovendien veroorzaakt de opwarming veranderingen in de relatieve vochtigheid. Dit heeft spanningen en mechanische vervormingen in materialen tot gevolg.

UV-stralen zijn het meest schadelijk voor de degradatie van materialen. De grootste hoeveelheid UV-straling is aanwezig in daglicht. Ook wanneer er gordijnen hangen, komen nog aanzienlijke hoeveelheden ultraviolet licht binnen. Noorderlicht bevat in verhouding meer UV-straling dan zonlicht aan de zuidzijde. Dat laatste zal dan wel meer warmteontwikkeling (IR-straling) veroorzaken.

Bij lichtschade zijn twee factoren belangrijk: de verlichtingssterkte en de tijd. 10 uur belichten bij 500 lux geeft bijvoorbeeld evenveel schade als 100 uur belichten bij 50 lux. Lux is de hoeveelheid lichtstroom die je meet per oppervlakte-eenheid. Deze kan zowel van een directe of indirecte lichtbron komen. Maatregelen om het licht te beperken, kunnen zich dus richten op verkorting van de verlichtingsduur en/of de verlaging van de lichtsterkte. Ook de aard of samenstelling van de lichtbron kan bijgestuurd worden.

Enkele aanbevelingen:

  • Korter belichten kan door een tijdschakelaar aan te brengen. Men kan gebruik maken van contactmatten of bewegingssensoren.
  • De lichtsterkte kan verminderd worden door het vergroten van de afstand van de lichtbron tot het object
  • Kies bij kunstlicht voor een UV-arme lichtbron (eventueel kan een UV-filter voor een kunstlichtbron geplaatst worden).
  • Gebruik ook geen lampen die veel IR-straling uitstralen. Gloeilampen geven de meeste warmte af, maar stralen dan weer weinig UV uit. 
  • Probeer de UV- en IR-straling zoveel mogelijk te elimineren en het licht te beperken, zeker in bergruimten en sacristie. De ramen kunnen soms bedekt worden met UV-werende plaatmaterialen en films. Een goede folie elimineert tot 99% van de schadelijke straling. De levensduur van dergelijke materialen is echter niet onbegrensd. Een zonwering is niet noodzakelijk een UV-wering. Sommige "populaire" zonweringen laten een groot gedeelte van de UV-straling door.
  • Bescherm zeker de erg gevoelige voorwerpen zoals textiel, papier en aquarel. Weinig gevoelige materialen, zoals metaal, kunnen meer licht verdragen. Objecten uit been of ivoor worden het best naar een lichtarme ruimte verplaatst (in een donkere ruimte gaan ivoren voorwerpen vergelen, beperkte blootstelling aan licht kan dit voorkomen).